
Je bent geen pleaser. Je hebt een patroon.
Je neemt je voor om het deze keer anders te doen. Je gaat nee zeggen. Je gaat om zes uur stoppen. Je gaat zeggen wat je echt denkt.
En dan zeg je toch weer ja. Je werkt toch weer door. Je slikt toch weer in wat je wou zeggen. En achteraf denk je: waarom deed ik dat nu weer?
We zeggen het zo makkelijk over onszelf. Ik ben nu eenmaal een pleaser. Ik ben een perfectionist. Ik ben een controlefreak. Alsof het in je zit zoals de kleur van je ogen.
Zo werkt het niet.
Hoe een patroon ontstaat
e brein verbruikt veel energie. Daarom zet het zoveel mogelijk op automatische piloot. Alles wat je vaak doet, wordt een gewoonte. Denk aan autorijden: in het begin moest je aan alles denken, nu rijd je naar huis zonder het te merken.
Zo werkt het ook met hoe je je gedraagt tegenover anderen. Wat je als kind vaak deed omdat het werkte, werd een automatische route in je brein. Flink zijn. Ja zeggen. Alles regelen. Niets vragen. Hoe vaker je het deed, hoe sterker die route werd. Tot het een snelweg was.
En dan is er je alarm. Diep in je brein zit een gebiedje dat de hele dag scant: ben ik veilig, word ik nog graag gezien? Het reageert razendsnel, sneller dan het deel van je brein dat nadenkt. Iemand vraagt je iets, je alarm vangt een spoor van mogelijke afwijzing op, en je hebt al ja gezegd voor je verstand erbij is.
Daarom kan je een patroon niet wegdenken. Het zit in je lijf.
Elk patroon geeft je iets
Dit is de sleutel. Een patroon blijft omdat het je iets oplevert. Meestal is het één van deze drie.
- Veiligheid.
Als ik ja zeg, komt er geen ruzie. - Controle.
Als ik het zelf doe, kan het niet mislopen. - Erkenning.
Als ik hard werk, zien ze dat ik de moeite waard ben.
Zolang je niet ziet wat je patroon je geeft, blijf je ertegen vechten. En vechten tegen iets dat je beschermt, dat win je niet.
De vier vermommingen
Bijna elke vrouw die ik begeleid, draagt hetzelfde patroon in één van vier vermommingen.
- Pleasen.
Je voelt wat een ander nodig heeft nog vóór je weet wat je zelf wil. - Perfectionisme.
Het is nooit af en nooit goed genoeg. - Controle.
Je regelt, je plant, je denkt voor iedereen mee. Loslaten voelt gevaarlijk. - Altijd sterk zijn.
Iedereen kan bij jou terecht. Jij vraagt geen hulp.
Eronder zit telkens dezelfde vraag: ben ik goed genoeg zoals ik ben?
Eén kleine oefening
Neem één moment van deze week waarop je achteraf dacht: waarom deed ik dat nu weer? Schrijf op:
- Wat gebeurde er?
- Wat voelde je lijf? Spanning, druk, een hoge adem?
- Wat dacht je, en wat deed je?
- Wat gaf het patroon je? Veiligheid, controle of erkenning?
Lees het daarna zoals je het verhaal van een goede vriendin zou lezen. Wat zou je tegen haar zeggen?
Je gaat merken dat er iets verschuift. Eerst zie je je patroon pas ’s avonds. Dan een uur erna. En op een dag zie je het terwijl het gebeurt. Dan heb je voor het eerst een keuze.
Onder je patronen zit jij
Ik zie het zo. In het midden zit je kern, wie je werkelijk bent. Rond die kern groeiden in de loop van je leven ringen: wat je thuis leerde, de patronen die je veilig hielden, de maskers die je opzette. Die ringen zijn geen fout. Ze hebben je beschermd. Maar ze zijn niet jij.
Je patronen waren nooit een fout. Ze waren een manier om het vol te houden.
Afsluiter: In Freedom ga je ring na ring naar binnen, tot je je eigen licht terugvindt. Online in je eigen tempo, met twee calls met mij, of één op één.
